Het Hamburgerprincipe

“Ik weet hoe het moet, pa,” sprak Gerard opgewonden. “Wij volgen gewoon het Hamburger idee.”

“Hamburger idee?” Vader krabde op zijn hoofd en keek vragend naar zijn twaalfjarige zoon.

“Kijk,” zei Gerard. “Een hamburger is een stuk vlees tussen twee stevige stukken brood. Zo moeten wij voor onze kampeertocht ook onze auto opladen.”

Vader begreep het nog niet, maar was blij dat Gerard zijn verantwoordelijkheid nam, en meedacht over het welslagen van de kampeervakantie.

Ze zouden gaan kamperen in Frankrijk. Naar Saint Barbant, vlakbij Poitiers. Alleen de bagage was een probleem. Er was geen plaats in hun Ford Fiesta. Moeder en vader voorin. Gerard, Dulcinea en Sjors op de achterbank en Wammes, hun Golden Retriever, in de achterbak. En ze hadden geen trekhaak.

“Dan maar het dak,” had Vader gezegd. “We zetten er een bagagerek op.”

En toen kwam Gerard met het Hamburger idee.

“Twee stukken hardboard is veel beter,” had hij met een wijs gezicht gezegd. “Die bagagestangen zijn duur, om van een heel bagagerek maar te zwijgen. Als wij alles tussen twee grote stukken board inklemmen, zit alles muurvast. Wordt het gewoon één geheel. En dat board gebruiken we als ondergrond bij het kamperen. Dan hebben we geen last van stenen en kuilen.”

Vader keek bedenkelijk. “Toch wel raar. Twee grote stukken board en daar je bagage tussen. Dat zie ik niemand doen.”

“Mag vast niet,” zei Dulcinea.

Gerard keek haar vernietigend aan en zei: “Wij doen het gewoon met de Franse slag. Hahaha.” Hij moest hartelijk lachen om zijn eigen grapje.

Maar toen moeder aangaf dat ze het een geweldig idee vond werd de knoop doorgehakt.

“Vooruit Joop,” zei ze tegen haar man. “Stel je voor, lekker geen kuilen of stenen. Zo wil ik wel kamperen.”

En zo kwam het dat de bagage op het dak van de Ford Fiesta terecht kwam, tussen twee keurig op maat gezaagde stukken hardboard. Het hele zaakje werd met stevige banden aangesnoerd; kind kon de was doen.

“Wat een goed idee,” zei moeder bewonderend. Ze klopte op de schouder van Gerard die glunderend naar het bouwwerk stond te kijken.

“Dat kostte wel wat energie,” zei vader, terwijl het zweet van zijn voorhoofd droop. “Daar zijn we mooi twee uur mee bezig geweest, maar nu kunnen we vertrekken.”

“Moet er geen zeil over,” zei Dulcinea ongeïnteresseerd terwijl ze haar nagels lakte.

“Welnee,” zei Gerard. “Moet je zien. Zit muurvast.”

Opeens zei vader met een schok: “De matrassen…We zijn de matrassen vergeten.”

“We moeten alles weer losmaken,” zei Sjors.

“Dat kost tijd.” Vader keek bezorgd op zijn horloge. “Als we nu niet vertrekken komen we nooit op tijd aan en moeten we ergens rond Parijs overnachten.”

“Lijkt me leuk,” zei Dulcinea. Ze stopte even met haar nagels en keek vader verlangend aan.

“Nee, alsjeblieft niet,” jammerde Gerard. “Moeten we alles voor één nachtje van het dak af halen om dan morgenochtend weer twee uur te zwoegen om het op te laden.”

“We proppen het er gewoon tussen,” zei vader. “Kampeermatrasjes wegen niets en zijn heel flexibel.”

“Fijn!” zeiden Gerard en Sjors blij.

Na een minuut of tien waren de matrasjes tussen de koffers en de boards gepropt en kon de reis beginnen.

“Woef,” zei Wammes toen ze de straat uitreden.

***

Tegen een uur of zeven waren ze Poitiers voorbij. Ze kwamen in de buurt en waren in de opperste stemming. Zelfs Dulcinea leek te genieten.

Opeens begon Sjors te lachen.

“Moet je kijken pa…Daar vliegt net zo’n matrasje voorbij als wij hebben.” Hij wees opgewonden naar buiten. Iedereen, behalve vader draaide zich om en warempel daar vloog nog zo’n matrasje voorbij.

“Haha,” smaalde Gerard. “Een of andere gek heeft zijn matrasjes niet goed vastgemaakt. Die zullen vanavond niet lekker slapen.”

Iedereen lachte hartelijk. Werkelijk niets kon de stemming nog bederven.

***

Om negen uur ‘s avonds reden ze de camping op bij Saint Barbant.

“Wij hebben een prachtig plaatsje bij de beek,” zei vader opgetogen. “Afladen jongens, en de tent opzetten.”

Ze sprongen de auto uit, strekten de benen en begonnen met de werkzaamheden.

Maar toen ze de banden van de bagage losgemaakt hadden, keken vader en Gerard elkaar beteuterd aan.

“Verhip…de kampeermatrasjes…Ze zijn weg.”

Moeder kwam bezorgd aangelopen. “De matrasjes weg? Wat bedoel je?”

“Ik bedoel,” zei vader bedremmeld, “dat de matrasjes weg zijn.”

“Maar…eh…ze zaten zo goed ingestopt,” jammerde Gerard.

“Ze zijn je Hamburger uitgevlogen, sukkel,” zei Dulcinea zuur. “Tomaten vliegen ook alle kanten op als je in een Hamburger bijt.”

“Dat waren onze matrasjes die we daar zagen vliegen.” Vader liet zijn hoofd hangen.

“Kwam door de wind.”

“En waarop moeten nu slapen?” vroeg moeder terwijl ze haar handen ineen wrong.

“Wij hebben het hout nog,” zei vader opgewekt. “We zullen in elk geval geen last hebben van stenen en kuilen.”